De narwal (wetenschappelijke naam: Monodon monoceros) is een unieke walvissoort die vooral bekend staat om zijn lange, spiraalvormige tand, die bij mannelijke narwals kan uitgroeien tot wel 3 meter lang. Deze tand is eigenlijk een voortand, geen hoorn, en wordt gebruikt voor sociaal gedrag en waarschijnlijk ook voor het verkrijgen van informatie over de omgeving, zoals temperatuur en diepte.
Narwallen komen voor in de koude wateren van de Arctische Oceaan, vooral rond Groenland, Canada en de noordkust van Rusland. Ze zijn uitstekend aangepast aan hun koude leefomgeving. Ze leven in groepen en voeden zich voornamelijk met vis, schaaldieren en inktvis. Ze zijn ook bekend om hun indrukwekkende duikcapaciteiten en kunnen tot diepten van meer dan 800 meter duiken.
Er zijn verschillende theorieën over de functie van de lange tand van de narwal. Sommige wetenschappers denken dat het een sociaal instrument is, gebruikt voor het indruk maken op andere narwallen of om rivalen af te schrikken. Anderen geloven dat de tand sensorische functies heeft, waarmee de narwal informatie over zijn omgeving kan verzamelen.
Narwallen staan momenteel op de lijst van kwetsbare diersoorten, voornamelijk door de effecten van klimaatverandering, die hun leefgebied beïnvloedt, en de mogelijke gevolgen van menselijke activiteiten, zoals olieboringen in de Arctische regio.
Samenvattend is de narwal een fascinerend en iconisch dier van de Arctische regio, bekend om zijn bijzondere tand en zijn aanpassing aan het koude, extreme milieu.